
Wandelend door het beekdal stelt het landschap je soms vragen. Kom, neem plaats op de grote keien onder de grote eik. Hoe zou het er hier uitzien als ik deze wandeling 100 jaar geleden maakte? Of misschien 1.000 jaar…of 10.000 jaar geleden?
Kale toendra
Jan Roijmans vertelde dat het beekdal van De Kleine Beerze niet altijd zo was als we het nu kennen. Stel je voor dat de aarde 12.000 jaar geleden begon te herstellen van de laatste ijstijd. Het landijs had de streek niet bereikt. Maar het Kempische landschap had te maken met zandstormen en had de kenmerken van de toendra. De beek die wij nu kennen, had meer de gedaante van een “doorstroommoeras”. Door de koude poolwinden had er al die tijd niet veel meer kunnen groeien dan gras en hier of daar wat struikgewas.
Kale toendra
Jan Roijmans van deHeemkundekring ‘De Hooge Dorpen’ vertelde dat het beekdal van De Kleine Beerze niet altijd zo was als we het nu kennen. Stel je voor dat de aarde 12.000 jaar geleden begon te herstellen van de laatste ijstijd. Het landijs had de streek niet bereikt. Maar het Kempische landschap had te maken met zandstormen en had de kenmerken van de toendra. De beek die wij nu kennen, had meer de gedaante van een “doorstroommoeras”. Door de koude poolwinden had er al die tijd niet veel meer kunnen groeien dan gras en hier of daar wat struiken.
Een neus voor goede plekken
Daarna werd het klimaat wat milder en de begroeiing kon aantrekken. Ook de fauna veranderde. Rendieren trokken naar koudere streken en edelherten, beren, wilde zwijnen en reeën namen hun plaats in. Jagers/verzamelaars kwamen hierdoor naar het gebied. Zij leefden van visvangst en jacht en hadden een neus voor voedselrijke plekken. Omdat deze prehistorische nomaden het moesten hebben van wat de natuur hen schonk, was hun verblijf altijd tijdelijk. Verslechterden de omstandigheden? Dan gingen ze op zoek naar voedsel op andere plekken.
Licht en duurzaam
Een nomadisch bestaan stelt eisen aan de uitrusting van deze reizigers. Jagers/verzamelaars bouwden op gunstige plekken hun eenvoudige hutten van lokale materialen als takken, bladeren, riet en leem. Men gebruikte wat beschikbaar was en beperkte zich tot het noodzakelijke. Alleen lichte, duurzame voorwerpen namen ze mee naar een volgende kamp.
Werktuigen
Denk aan kleding, dierenhuiden en gereedschappen. In die laatste categorie vind je handgereedschap en wapens voor de jacht. Houten delen vergaan in de bodem. Maar de werktuigen die hard en taai moesten zijn, hebben de tijd soms kunnen weerstaan. Juist die eigenschappen maken het mogelijk dat wij vandaag de dag restsporen vinden van die prehistorische kampen.
Vondsten
Vuursteen, hoorn en been waren nodig bij werktuigen. Wie nu zo’n pijlpunt of een schraapsteen vindt, kan de ambachtelijke sporen van de bewerking vaak nog zien. Bij heemkundekring ‘De Hooge Dorpen’ kan men meepraten over dergelijke vondsten.
Verbeeldingspaneel
Kees Huijbregts heeft veel voorwerpen gevonden. Op die plek in de dorpsmoestuin staat nu een paneel met een verbeelding van hoe het landschap er 10.000 jaar geleden uitgezien kan hebben. Het toont een levendig beeld van een doodgewone dag in het dal van De Kleine Beerze. Met allerlei activiteiten van spelende kinderen tot de voorbereidingen voor wildgebraad en het prepareren van huiden. Zo kan het werkelijk geweest zijn. Het beeld gaat naadloos over in het echte landschap.
Maak een tijdreis
Ga eens zitten op de grote zwerfkeien bij het paneel en kijk om je heen. De bebouwing is zo dichtbij en toch kun je hier natuur beleven en zelfs een reis maken naar lang vervlogen tijden. Wie woont in het dal van De Kleine Beerze is een geluksvogel!


